|

Daar ligt erbarmen in de avond,
een goedheid die geen grenzen weet;
Wie 's avonds geeft zijn hert, zijn handen,
Vergeet zo goed zijn eigen leed.
Daar ligt vergiffenis in de avond...,
O gij, die 'k 's morgens heb gehaat,
Ik voel, dat gij ter schemer-ure,
Weer schoon door mijn gedachten gaat.
Ik omhels de koelte van de avond als een welkome vriend. Verfrist en heerlijk geurend, met Poes Mientje in mijn kielzog en een handdoek rond mijn nog nadruipende haren begeef ik mij na het douchen naar m’n vaste stekje in het piepkleine stadstuintje.
Een zitplaats op het inmiddels gammel geworden tuinbankje mét zicht op de jonge koolmeesjes in de appelboom is voor de ‘fury-lot’ fel begeerd.
Menige knokpartij en robbertje vechten diende door mij te worden gesust. Gewoonlijk reeds ingenomen dus, maar ditmaal hebben we geluk.
Tevreden nestel ik me in een hoekje, met Mientje als een goede imitatie van sfinx naast me.
Uitgebreid geeuwend, en duidelijk vergenoegd door onze komst begint Meadow zich grondig te wassen, uitgestrekt en pàl op het loof van de arme bosaarbeitjes.
Gelijk heeft ie, slapen zou nu zonde zijn, en geen rechtgeaarde kater verspilt een nacht vol beloften. Tegen zoveel verleiding kan ik niet op .. hij krijgt een aai over zijn bolletje, en als ik mijn neus in zijn gouden vacht begraaf, verdrink ik in de geur van hooi en geplette aardbeitjes.
Een zachte bries doet de takken van de beukenhaag – nu gelukkig zonder wollige bladluis ritselen en brengt wat koelte.
Achter me hoor ik de kip van de buren vriendelijk klokken, terwijl ze de grond afspeurt naar nog een lekker sliertje pasta, dat ze eerder op de avond van me kreeg.
Ik ben alleen met mijn gedachten, maar zo nu en dan draagt de wind flarden gezang vanuit de Binnenstad met zich mee, te zwak echter om een melodie in te herkennen.
Wat later houdt ook dàt op, en de verstilde Stad hult zich in duisternis.
Mijn gedachten tot rust gekomen, laat ik mijn geest de vrije teugel, en ze voert me terug naar indrukken waar ik eerder op de dag geen aandacht aan schonk, die achteloos aan me voorbij gingen, maar die nu langzaam terug binnen sijpelen.
Een voor een rijkt ze me dingen aan, die ik netjes in het juiste vakje van mijn geheugen wegstop, of gewoon naast me neerleg.
Flarden herinneringen, gezichten van mensen .. ze vervagen telkens weer, tot ik eindelijk vrede vindt, en de dag met een tevreden gevoel kan afsluiten.
Geen onrust, geen wrok .. evenwicht en balans zijn hier sleutelwoorden, en staan garant voor een verkwikkende nachtrust.
Er waren tijden dat dit de kinderen aangeleerd werd, hun jonge geest te verstillen met het afscheid nemen van de dag voor het omarmen van de nacht.
Een intiem voorleesmoment voor het slapengaan. En daar was ook dit ..
Alice Nahon, in haar ‘Avondliedeken’ uit Vondelingskens omschreef het zo ..
'
t Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan
Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.
En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd, dat eenzaam was...;
Dan voel ik op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En zó z'n ogen toe te doen.

Haar woorden hebben de tand des tijds doorstaan en zijn nu, méér nog dan in vroeger tijden, waarheidsgetrouw. Ontroerend en oprecht raken ze ons door hun eenvoud., net of de kracht van haar woorden in ons hart resoneert.
In het mijne alvast wel ..
tante Danny
Afbeeldingen:
Gather ye rosebuds while ye may - by John William Waterhouse 1909
The Woodman’s Child - by Arthur Hughes 1860
|
|